Vogelfeitjes

De kramsvogel
De boerenzwaluw
De koolmees
De vink
Middelste bonte specht






De kramsvogel (Turdus pilaris)
Bron afbeeldingen: Wikipedia
De kramsvogel. (Bron wikipedia)
De Kramsvogel is een forse lijster. Afgezien van enkele broedparen in Limburg is de Kramsvogel een Algemene wintergast in ons land. In oktober-november komen hier grote aantallen uit zuidelijk Scandinavië en Noord-Rusland langs, waarvan een gedeelte blijft om te overwinteren.
Kramsvogels zijn herkenbaar aan hun grijze kop en grijze stuit. Men ziet ze ook vaak in gezelschap van andere lijsters, vaak Koperwieken. Koperwieken zijn wat kleiner dan Kramsvogels en hebben een witte oogstreep en 'kopergekleurde' ondervleugels. Ook het geluid van beide soorten is anders. Koperwieken maken een hoog, langgerekt 'tjiehhh', Kramsvogels maken een 'tsjak-tsjak-tsjak'-geluid.
De kramsvogel. (Bron wikipedia)






De boerenzwaluw (Hirundo rustica)
Bron: Wikipedia
De boerenzwaluw
De boerenzwaluw (Hirundo rustica) is een kleine trekvogel. Boerenzwaluwen trekken gedurende de lente noordwaarts naar hun broedgebieden in Europa, tot nabij de arctische cirkel. Zijn sierlijke snelle vlucht is bij ons gedurende de hele zomer te zien. Zijn lange vleugels en zijn slanke lijf maken hem zeer geschikt om in de lucht achter insecten aan te jagen. Dan is zijn glanzende metaalblauwe verendek goed zichtbaar en vallen ook zijn uitstekende buitenste staartpennen meestal wel in het oog. De boerenzwaluw heeft een lange diep gevorkte staart met zeer lange buitenste staartpennen. Hij is donker metaalblauw glanzende bovenveren. Voorhoofd en keel zijn roodbruin. Verder crèmekleurig witte onderdelen, een blauwzwarte kropband en een zwarte snavel.
De boerenzwaluw leeft meestal in groepjes, vaak ook met andere zwaluwen zoals huiszwaluw en oeverzwaluw. In de herfst verzamelen ze zich tot grote groepen alvorens naar het zuiden te gaan. Hij leeft vooral in de buurt van boerderijen, agrarische gebieden en aan de rand van steden.

De zwaluw voedt zich met muggen, motten, vliegen en kevertjes die hij al vliegend met zijn brede snavel uit de lucht vangt. Water drinken doet hij ook tijdens de vlucht door laag over het water te scheren en dan het water met zijn bek op te scheppen.
Hij bouwt nesten in boerenstallen, onder bruggen en afdaken. Gewoonlijk worden 4 of 5 eieren gelegd, maar heel soms worden er wel eens 8 eieren in een nest aangetroffen. De broedtijd is 14 tot 16 dagen, meestal broedt alleen het vrouwtje, het mannetje blijft wel in de buurt. Als de eieren uitgekomen zijn dan worden de jongen door beide ouders verzorgd. Na ongeveer 21 dagen verlaten de jongen het nest. Er zijn twee en soms drie legsels per jaar.

Meestal komen de zwaluwen na de overwinteringsperiode in Afrika weer terug op hun oude nest. Het nest wordt door de boerenzwaluw zelf gebouwd. Het is een halve cirkelvormige kom welke van boven open is. Het nest wordt gemetseld met vochtige aarde en speeksel en verstevigd met halmen en haar. De binnenkant wordt gevoerd met veren en haartjes. Het nest wordt altijd zo geplaatst dat er een dak, brug of dakgoot boven zit zodat het nest vanuit de lucht niet kan worden gezien. In de tijd van de nestbouw is de zwaluw regelmatig op de grond te zien om aarde en ander nestmateriaal te verzamelen.

De boerenzwaluw broedt in geheel Europa. Van IJsland en het noorden van Scandinavië zijn enkele broedgevallen bekend, maar de boerenzwaluw is daar zeldzaam. Verder behoren ook grote delen van Rusland, West Siberië en het gebied van Turkije tot NW India tot zijn broedgebied.
De boerenzwaluw






De koolmees
Bron: NIOO, IVN Vecht & Plassengebied
De koolmees
Het onderzoek van dierecoloog Kees van Oers richt zich op de variatie in persoonlijkheid die koolmezen van nature ten toon spreiden. Samen met biologen Piet Drent en Arie van Noordwijk van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) publiceerde zij eerder al een onderzoek dat ons leert dat de modelsoort koolmees de weg kan wijzen naar de wortels van persoonlijkheden.

Het onderzoek toonde aan dat de genen van zijn ouders ongeveer 54% van de persoonlijkheid van een individu bepalen. De onderzoekers onderscheiden twee hoofdsoorten: brutaal ('lefgozer') en voorzichtig ('kat-uit-de-boom-kijker'). Vier generaties lang lieten de onderzoekers de brutaaltjes met brutaaltjes paren en de voorzichtigste met de voorzichtigste. Dit zorgde ervoor dat de brutale lijn steeds brutaler werd en de voorzichtige steeds terughoudender. Uit dit selectie-onderzoek blijkt dat meer dan de helft van de persoonlijkheid van de ouders komt.
Met deze kennis zijn we beter in staat te begrijpen hoe het mogelijk is dat individuen verschillende persoonlijkheden bezitten. Maar ook dat kinderen vaak op hun ouders lijken, ook als ze niet door die natuurlijke ouders zijn grootgebracht. Om de invloed van opvoeding op de persoonlijkheid uit te sluiten, pasten de ecologen onder andere cross-fostering toe. Koolmeeskuikentjes lieten ze door pleegouders opvoeden, in een gemengd brutaal/voorzichtig nest.

Persoonlijkheden zijn gedragspakketten: combinaties van gedragingen die samen een zogenaamde strategie vormen. In de brede waaier van persoonlijkheden herkennen we, bij alle gewervelde dieren zowel als mensen, onder licht gestresste omstandigheden twee extreme types: een actieve en een passieve. De 'actieve strategie' houdt in dat een dier snel beslissingen neemt, agressief en brutaal is en (stress)situaties naar zijn hand probeert te zetten. Lukt dat laatste niet, dan gaat hij zijn geluk elders beproeven. De 'passieve' persoonlijkheid vinden we aan het andere uiteinde van het spectrum: een voorzichtige en bedachtzame beslisser en ontdekker, verlegen, weinig agressief en zich aanpassend aan de omstandigheden. Hij blijft liever.

Het onderzoek van het Nederlands Instituut voor Ecologie richt zich op de wilde vogel. Het gaat dus om natuurlijk gedrag, niet om ‘ijsberen’ bijvoorbeeld. Dieren moeten oplossingen vinden voor de omstandigheden die ze in het dagelijks leven tegenkomen. De centrale vraag daarbij is hoe die variatie in gedrag ontstaat, en wat de gevolgen daarvan zijn. Welke invloed heeft je persoonlijkheid bijvoorbeeld op je overlevings- en voortplantingskansen? Hoe kunnen de verschillende persoonlijkheden in de natuur naast elkaar voortbestaan? Hoe is dit alles geëvolueerd? De publicatie van Oers en collega’s legt een grondige genetische basis.





De vink
Bron: Vroege vogels
De vink
Wetenschappelijke naam: Fringilla coelebs

Het mannetje is onmiskenbaar door zijn leiblauwe kruin en nek, roodbruine rug, wijnrode onderzijde en groenachtige stuit. Het wijfje is minder bontgekleurd maar heeft dezelfde vleugeltekening. In vlucht zijn de witte vleugelstreep en schoudervlek karakteristiek.

De zang van de vink is de bekende 'vinkenslag'. Het liedje begint langzaam, neemt in snelheid toe en eindigt gewoonlijk in een waterval van tonen. De zang varieert sterk en er zijn zelfs 'dialecten' te onderscheiden. Het gehele lied duurt doorgaans 4 à 5 seconden, maar het wordt vijf- tot tienmaal per minuut herhaald. De alarmroep is een luid, doordringend.

Voor veel vogelaars (én fenologen) is de eerste vinkenslag van het jaar een typische voorjaarsbode. Meestal is die eerste te horen in de begin februari. Aanvankelijk begint meneer vink zonder de typerende waterval; de 'slag' aan het eind van z'n liedje moet hij ieder jaar op nieuw weer oefenen.

In april begint het broedseizoen. De vink broedt vooral in goed ontwikkelde loofbossen met veel open plekken en een rijke ondergroei maar eigenlijk is hij overal talrijk waar veel oude bomen staan. De vink bouwt in heesters en boomvorken een keurig, komvormig nest van gras en mos. Het nest wordt gecamoufleerd met korstmossen en met spindraden van insecten. Zij bouwen de nesten meestal in de vork van een paar takken. Het wijfje legt gewoonlijk 4 tot 5 wittige eieren, met een stippel- en streeptekening. Beide ouders verzorgen de jongen, die na 12 à 15 dagen uitvliegen.

Vinken eten zaden en zachte plantendelen, zoals bladknoppen. In het broedseizoen wordt er echter vooral insecten gegeten. Insecten leveren meer eiwitten, welke noodzakelijk zijn voor de groei van de jonge vinken en het grote energieverbruik van de oudervogels.

De vink is één van de talrijkste trekvogels. Dit is vooral langs de kuststrook waar te nemen. In het westelijke en zuidelijke deel van het leefgebied zijn vinken over het algemeen standvogels. Meer naar het noorden en oosten zijn het trekvogels. De vinken die in de Benelux broeden, trekken 's winters in zuidelijke richting tot in Frankrijk. De exemplaren die wij 's winters hier zien, komen vooral uit Scandinavië. In winterperioden komen vinken vaak samen met andere vinkachtigen, zoals Kepen en Groenlingen op akkers en weilanden voor.






Middelste bonte specht
Bron: Wikipedia, vogelvisie
middelste bonte specht
De middelste bonte specht lijkt sterk op twee andere Nederlandse spechten; de kleine bonte specht en de grote bonte specht. Vooral de laatste is in Nederland een redelijk algemene broedvogel. De middelste bonte specht is van de andere spechten te onderscheiden door de geheel rode kruin zonder zwarte delen. Bij het mannetje loopt de rode kruin verder door op het achterhoofd dan bij het vrouwtje. Het voedsel bestaat uit vruchten, zaden en insecten, die niet alleen uit het hout worden gehakt, maar ook van bladeren en takken worden gepikt.

Kenmerken van de middelste bonte specht:

De middelste bonte specht broedt in weelderige loofbossen met oude eiken, haagbeuken en iepen, in Midden- en Zuid-Europa. Hij prefereert bossen in combinatie met open plekken, weiden en dichte bosschages. In Nederland was de soort een tijdlang uitgestorven als broedvogel, maar vanaf 1997 broedt hij weer binnen onze landsgrenzen. In dat jaar was de soort slechts aan te treffen in Midden- en Zuid-Limburg, maar sindsdien heeft de Middelste bonte specht zich sterk uitgebreid. In 2006 broedden er al minimaal 130 paartjes in Nederland, niet alleen meer in Limburg, maar ook in Twente, de Achterhoek en Noord-Brabant. In België komt de middelste bonte specht voor in het oosten. De hoogste dichtheden worden bereikt in het uiterste zuidoosten van het land.